Home
Surround Sound
Audio Forum
The Sound of Music
Harvey Rosenberg versus Bruce Rozenblit
Hawk Story
Discussie met een gebruiker
MS-Tube 1
MS-Tube 2
Recensies
Meningsverschillen
Trucs
& Tips
Boeken over Audio
Downloads |
Eerder geplaatste artikelen 2001-2002
The Sound of Music (1)
door John van der Sluis
We leven in een wereld vol geluid. Zelfs
het kleine Overschie (de wijk van Rotterdam waar we gevestigd
zijn) wordt vaak beheerst door de discussie over de geluidsgolven
die op de omringende snelwegen worden veroorzaakt. En als je
gaat shoppen in de binnenstad moet je goed oppassen dat je geen
gehoorbeschadiging oploopt in een van die knetterende kledingwinkels.
Om maar te zwijgen van de vaak oorverdovende geluidsdruk in disco's
en andere horeca gelegenheden. Ja, zelfs in het dorpse Overschiese!
Valt er op een of andere manier dan nog plezier aan geluid te
beleven kunnen we ons nu afvragen. Het antwoord is niet eenvoudig
maar laat me een poging wagen.
Muziek is er altijd wel geweest in een of andere vorm. In de
oertijd, en nog steeds in sommige delen van donker Africa en
Zuid Amerika, gaven we uiting aan onze gemoedsstemming door middel
van verschillende soorten percussie instrumenten, trommels dus.
Voor onze huidige muziekbeleving klinkt dat wat ongenuanceerd
gewend als we inmiddels zijn aan allerlei andere blaas, strijk
en tokkelgeluiden. Vanaf de vroege middeleeuwen kwam daar verandering
in. Talloze instrumenten werden bedacht en gebouwd en sinds die
tijd hebben vele componisten allerhande soorten muziek geschreven
die dan meestal door anderen werd uitgevoerd. Om dat te kunnen
beluisteren moest je je naar een ruimte begeven waar die muziek
"live" gespeeld werd. En nog steeds zitten de concertzalen
(gelukkig) vol met luisteraars die het allemaal graag zo natuurlijk
mogelijk willen meemaken.
Elektronica
Sinds Lee de Forest de versterkende radiobuis
uitvond is er echter een geheel andere manier van muziek beleven
ontstaan. Gedurende de jaren '20 en '30 bestond dat in hoofdzaak
uit het beluisteren van de radio. De toen gebruikte midden en
lange golfgebieden waren een bron van ergernis want je muziek
werd vaak vergald door de "Mexicaanse hond". Dat is
een soort zwevend piepgeluid dat ontstaat wanneer twee zenders
dicht op elkaar zijn afgestemd. Bovendien veroorzaakten de radio
ontvangers zelf ook vaak wat bijgeluiden in de vorm van gebrom
en geruis. Rond het begin van de tweede wereldoorlog werd de
eerder door Edison c.s. bedachte grammofoonplaat populair. Die
platen werden in massa gemaakt en waren daardoor laag geprijsd
en voor de meeste mensen betaalbaar. Die platen uit die tijd
hadden nogal wat nadelen. Ze werden meestal uit glas vervaardigd
en waren daardoor breekbaar. Bovendien was het ruisniveau goed
hoorbaar. Dat laatste lag zowel aan de manier van opnemen als
aan de weergavekant waar we met stalen naalden de platen steeds
verder beschadigden waardoor de ruis toenam naarmate je ze meer
draaide. Overigens had Edison zelf al in 1920 een (mechanische)
platenspeler bedacht waarin de onverslijtbare diamantnaald werd
toegepast.
Het aardige echter was dat nu vrijwel iedereen naar de door hem
of haar gewenste muziek kon luisteren op de plek en tijd die
de luisteraar het beste uitkwam. Dat is een groot verschil met
de pre-elektronische tijd; we konden gebruik maken van "gereproduceerde"
muziek.
In dat woord "reproductie" schuilt meteen ook de moeilijkheid.
Om te beginnen moet de muziek op een of andere manier vastgelegd
worden. Vervolgens wordt het zodanig bewerkt dat het in massa
gekopieerd kan worden. Tenslotte dient de gebruiker/luisteraar
apparatuur te hebben waarmee het geluid zo ongeschonden mogelijk
wordt weergegeven. Tot op de dag van vandaag is dat een moeilijk
proces met vele valkuilen. Daardoor is, zelfs in onze High-Tech
samenleving, een echte natuurlijke weergave nauwelijks mogelijk.
Maar we kunnen het wel zo goed mogelijk benaderen.
Afb. Philips radio jaren 50 (fotograferen
in het Radiomuseum Ceintuurbaan)
The Sound of
Music (2)
door John van der Sluis
De Jongste Geschiedenis
In het vorige stukje werd in grote lijnen
de geschiedenis van de muziekbeleving beschreven. We waren aangeland
bij de tweede wereldoorlog. Die oorlog gaf een extra stimulans
aan de massaproductie van platen. Dat werd ondersteund door de
radio uitzendingen waarin populaire artiesten en orkesten hun
bekendste stukken lieten horen. Dat leidde tot verkoopcijfers
in de orde van meer dan 1 miljoen platen van 1 enkele opname.
De techniek stond niet stil en onmiddellijk na de oorlog werd
de langspeelplaat geïntroduceerd. Op zo'n 30 cm plaat kon,
door de groeven beduidend kleiner te maken (en het toerental
lager), wel een half uur muziek aan één kant worden
opgenomen. Die "micro-groove" was mogelijk door de
ontwikkeling van kunststof als plaatmateriaal en dat was overigens
tijdens de oorlog door een Nederlandse techneut ontwikkeld.
In die naoorlogse periode ontstond ook de behoefte aan meer zenders
dan wat er op de lange en middengolf mogelijk was. Mede door
de ontwikkeling van moderne radiobuizen kon de FM-band ofwel
de Ultra-Korte-Golf (UHF) in gebruik worden genomen. Het FM zendsysteem
had bovendien het voordeel dat het ruisniveau sterk verlaagd
werd en ook de beruchte "Mexicaanse Hond" behoorde
daarmee tot het verleden.
In het midden van de jaren >50 ontstond de mogelijkheid om
binnen één groef op de plaat twee kanalen te noteren,
we kregen "stereo".
In die tijd ontstond ook een cultus van geluidsfanaten die door
middel van, veelal zelf gebouwde, bijzondere apparatuur de weergavekwaliteit
sterk konden verbeteren. Zoals vaker was ook deze cultus slechts
weggelegd voor de "happy few" die zowel enige technische
kennis bezaten als over de geldmiddelen beschikten (het was nogal
prijzig) en daarnaast een liefde voor muziek hadden. Daarover
later meer.
Met de opkomst van de goedkope "silicium" transistor
werd het mogelijk zeer goedkoop grote aantallen stereo apparaten
te fabriceren. Vooral Japanse fabrikanten maakten daar in het
begin van de jaren '70 gebruik van en overspoelden de Amerikaanse
en Europese markten met goed uitziende en redelijk klinkende
betaalbare stereo apparatuur. Daarmee was de doorbraak naar de
mogelijkheid voor elke burger om in eigen huis van muziek te
genieten met een goede geluidskwaliteit geschapen. Zonder over
de hoge drempel van het concertgebouw te stappen konden we in
eigen huis, en op een tijdstip dat het goed uitkwam, muziek reproduceren.
Vooral de popmuzikanten werden mede hierdoor populair. Denk aan
de Beatles en Rolling Stones om maar iets te noemen.
Die transistor techniek had nog een prettig gevolg. Doordat transistor
versterkers een heel erg lage uitgangsimpedantie (inwendige weerstand)
hebben werd het mogelijk luidsprekers te maken van, in vergelijking
met eerder, kleiner formaat waar toch nog een redelijke basweergave
mee bereikt werd.
De CD
En toen kwam de CD! In 1982 introduceerden
Sony en Philips dit optische medium. Die CD was een verdere (digitale)
ontwikkeling van de eerdere, maar nooit populair geworden, beeldplaat.
De voordelen waren heel duidelijk en werden door de fabrikanten
breed uitgemeten:
- geen ruis
- onverslijtbaar
- groot frequentiegebied, van 20 Hertz tot 20 kiloHertz, binnen
nauwe toleranties
Dat was nog eens andere koek dan die
krassende ruisende en verslijtende langspeelplaten! En de hele
goegemeente van zich noemende audio journalisten roemden het
nieuwe medium de hemel in. Er waren natuurlijk wel protesten,
voornamelijk van die hobbyende audio fanaten die zeiden dat de
langspeelplaat echt vele malen beter klonk. En achteraf moeten
we ze gelijk geven. Gelukkig is het CD-systeem later veel verbeterd,
maar de eerste CD's en de CD-spelers waren bepaald geen hoogstandjes
op het punt van geluidskwaliteit.
En dan hebben we nu de DVD waarover een volgende keer meer.
The Sound of
Music (3)
door John van der Sluis
De DVD
De DVD is een opslagmedium voor digitale
gegevens. Het werd ontwikkeld door de chemische gigant "3-M
Company". Mede door het ontwikkelen van laserdioden (een
soort lampjes waarmee de putjes op een CD en DVD worden uitgelezen)
met een kortere golflengte zag men kans om veel meer informatie
op te slaan op een 12 cm schijfje. Die informatie kan van alles
zijn zoals computergegevens, beeld en/of geluid.
Zo'n DVD schijfje heeft in principe twee lagen die elk apart
kunnen worden uitgelezen. Bovendien zijn je aan twee kanten afspeelbaar
(dat laatste wordt nog maar zelden gebruikt).
Vooral de filmproducenten kwamen als vliegen op de stroop af.
De DVD bood de mogelijkheid om (gecomprimeerde) filmbeelden op
te slaan vergezeld van (eveneens gecomprimeerd) geluid in vijf
kanalen. Door de tweede laag ook te gebruiken werd het zelfs
mogelijk om een aantal verschillende talen in 5-kanaals geluid
op te nemen. Eindelijk konden we af van die vervelende banden
die alleen maar versleten en bovendien de afspeelapparatuur sterk
vervuilden. Als extra heb je dan ook nog de "bioscoopervaring".
Dat wil zeggen dat je thuis, net als in de bioscoop, het geluid
rondom te horen krijgt.
Helaas leidde die DVD tot een veelheid aan afspeelnormen die
elkaar niet altijd verstaan. Het meest bekend zijn inmiddels
"Dolby Digital" (ook wel AC-3 genoemd) en "DTS".
Als gebruiker moet je bij de aanschaf van zulke plaatjes dus
goed opletten of een van die termen er op staan. Heel veel in
de winkel liggende DVD's zijn nog met een van de oudere MPEG-normen
opgenomen en veel huidige spelers hebben daar moeite mee.
Naast de film producenten waren ook de geluidsfabrikanten zeer
geïnteresseerd in het nieuwe medium. Zoals we weten was
er inmiddels een grote groep gebruikers aan het kopiëren
geslagen en een gekopieerde CD kost nog slechts 2 Euro. Daarnaast
kon wellicht eindelijk tegemoet worden gekomen aan de bezwaren
die audiofielen (u weet nog wel die fanaten) tegen de beperkte
bandbreedte en de beperkte dynamiek van de CD.
En zo ontstonden DVD-Audio en Super-Audio-CD (kortweg SA-CD).
Vooral de laatste is voor de muziek maatschappij interessant
omdat bij SA-CD een zeer goede kopieerbeveiliging ingebouwd zit.
Ook voor de audio fanaten is de SA-CD het meest interessant omdat
daarbij het oorspronkelijke geluid het best benaderd wordt. Een
probleem is wel dat veel fabrikanten van apparatuur er niet voor
voelen om alweer rechten aan Philips en Sony te moeten betalen.
Maar gelukkig zien we steeds meer muziek maatschappijen overgaan
tot SA-CD. We mogen dus verwachten dat dit binnen korte tijd
de nieuwe algemeen aanvaarde standaard wordt.
Techniek
Zoals eerder beloofd komen we terug op
de gebruikte techniek om geluid in de huiskamer te kunnen reproduceren.
Dit wordt geen eenvoudig verhaal maar het is nodig om te kunnen
begrijpen waarom en waardoor er grote verschillen in geluidskwaliteit
bestaan.
In de jaren '20, de begintijd van de elektronenbuis (ofwel radiobuis)
waren er talloze uitvinders en technici die probeerden een zo
goed mogelijke geluidskwaliteit te realiseren. En sommigen slaagden
daar aardig in; dat is zelfs bij ons te horen, we gebruiken tot
op de dag van vandaag een schakeling uit 1928!
In die begintijd was het heel moeilijk om te bepalen hoe "goed"
een schakeling was. Er moesten meetinstrumenten bedacht worden
waarmee men kon meten wat er in zo=n versterkerschakeling gebeurde.
Een paar dingen hadden we al, de spannings- of voltmeter, de
stroom- of ampèremeter, de weerstands- of Ohmmeter en
de vermogens- of Wattmeter. Die instrumenten werden verfijnd
om ook heel kleine signalen goed te kunnen meten. Tijdens de
jaren >30 ontwikkelde men een vervormingsmeter en men meende
alle gegevens nu in de hand te hebben.
Later kregen we de "kijkpijp" ofwel de oscillograaf,
een instrument waarmee we elektrische verschijnselen kunnen "zien".
Tot op de dag van vandaag wordt audio elektronica gespecificeerd
zoals dat al meer dan 60 jaar geleden werd bedacht. In de folder
zien we het vermogen staan, bijvoorbeeld 50 Watt. Dan zien we
daar ook de vervorming, tegenwoordig in de orde van 0,001 procent
(dus één duizendste van één procent).
Verder wordt vaak een ruiscijfer genoemd, bijvoorbeeld ruisafstand
>90 dB. En bij versterkers worden in- en uitgangsimpedanties
genoemd, bijvoorbeeld ingangsimpedantie = 50 kOhm en uitgangsimpedantie
= <0,1 Ohm. Dat laatste wordt ook vaak uitgedrukt in dempingsfactor.
Die factor wordt berekend uit de te verwachten luidspreker impedantie
gedeeld door de versterkerimpedantie. Bij een luidspreker van
8 Ohm en een versterker van 0,1 Ohm is de dempingsfactor 80.
(Er zijn versterkers met een gespecificeerde dempingsfactor van
1000!)
Dat "lijkt" allemaal prachtig, maar het verklaart niet
waarom er zulke grote verschillen in geluidskwaliteit zijn.
The
Sound of Music (4)
door John van der Sluis
Meten is Weten!
De vorige keer hebben we al het fenomeen
besproken dat meetgegevens, zoals ze in de folder staan, weinig
zeggen over geluidskwaliteit. Ondanks het, soms, grote vermogen
blijkt toch de "bas" rommelig uit de luidspreker te
komen. We spreken dan over "ongecontroleerde basweergave".
Die lage vervormingcijfers zeggen ook niet veel als je hoort
dat een sopraan staat te "gillen", koperblazers plotseling
een extra accent krijgen en in het middengebied stemmen schier
onverstaanbaar zijn. En als je met zo'n opmerking een winkel
binnenstapt krijg je te horen dat het aan de luidsprekers ligt:
"Mevrouw/meneer u heeft een setje gekocht met van die kleine
tweewegjes, u moet eens luisteren hoe een goede drieweg klinkt!"
Vervolgens krijg je een kanjer van een luidsprekerkast te zien
waar de bassen naar hartelust uit komen rollen. Dan ben je al
snel overtuigd dat dat inderdaad een verbetering zou zijn en
de knip gaat snel open. Eenmaal thuis gekomen met de, tot ongenoegen
van uw medehuisgenoten, kanjers van luidsprekers blijkt het toch
tegen te vallen. Maar ja het geld is uitgegeven en je hebt iets
duurders en groters dus moet het wel beter zijn.
Helaas is de handelwijze van het winkelpersoneel goed verklaarbaar.
Een grotere luidspreker verkopen lukt bijna altijd en daarmee
is het geld snel verdiend. Bovendien, wat erger is, de meeste
mensen in het audioverkoop vak hebben geen echte vakkennis.
De grootste boosdoener bij slecht klinkend geluid is de elektronica.
Dat is dus meestal de versterker, maar het kan ook de CD-speler
zijn (of DVD-speler niet te vergeten) of de tuner of het cassettedeck
etc. Het euvel is ook gemakkelijk te herkennen aan een bijkomstigheid
die we "luistermoeheid" noemen. Als je daar last van
krijgt, zonder je bewust te zijn van wat er aan de hand is, draai
je eenvoudigweg de volumeknop wat lager. Bij een echt goed klinkende
audio installatie heb je juist de tegenovergestelde neiging,
namelijk om het volume wat hoger te draaien!
Inmiddels zult u zich misschien afvragen hoe het nu mogelijk
is dat al die afgestudeerde ingenieurs, die de laboratoria van
de grote fabrikanten bevolken, er toe komen iets te maken wat
matig, zo niet slecht, klinkt? De reden is eigenlijk heel eenvoudig,
als techneut wordt je opgeleid met het doel je beroep op "wetenschappelijke"
wijze te beoefenen. En dat "wetenschappelijk" impliceert
dat de resultaten "meetbaar" moeten zijn. Men "luistert"
dus niet maar men "meet"!
In 1983 had ik een gesprek met de ontwerpers van de CD. In dat
gesprek, van 's morgens 10 uur tot 's middags 5 uur werd me omstandig
uitgelegd wat de theoretische basis was voor de ontwikkeling
van de CD en een belangrijk onderwerp daarbij was hoe het mogelijk
is een signaal van 20 kHz op betrouwbare wijze in twee "samples"
(digitale woorden) te noteren en weer te geven. Op dat moment
was het voor mij een vaststaand gegeven dat de CD niet deugde,
alle bekende CD-spelers in die tijd klonken erbarmelijk. Aan
het eind van het gesprek vroeg ik de ontwerpers wanneer ze voor
het laatst een "live" concert hadden meegemaakt. Het
antwoord was kort en krachtig: nooit! Die mensen, hoe inventief
ook, hadden geen enkele emotie bij muziek, dat viel buiten hun
waarnemingskader. En daar moeten we het dus mee doen.
Gelukkig is er veel verbeterd bij de CD weergave en dat is vooral
en mede te danken aan het "perceptie onderzoek". Dat
is onderzoek naar, onder meer, de subjectieve beleving bij het
luisteren. Dat onderzoek bracht zaken aan het licht die een volkomen
ander licht werpen op de manier waarop we horen en muziek beleven.
The
Sound of Music (6)
Door John van der Sluis
Het Gehoor
Zoals we de vorige keer al zagen is "meten"
niet altijd synoniem met weten. In de begintijd, jaren '20, gingen
we er van uit dat een mens tonen kon onderscheiden doordat er
bepaalde trilhaartjes in het binnenoor worden aangestoten. Bij
elk trilhaartje zou dus een bepaalde toon horen. Als we nu maar
zorgen dat we alle denkbare tonen met verschillende geluidssterktes
gelijkmatig over het hele hoorbare gebied versterken dan hebben
we de ideale versterker. Dat was, en is nog steeds, een uitgangspunt
voor ontwerpers. Een aardig voorbeeld daarvan is de "DIN
HiFi-norm" uit de jaren zestig. Om het predikaat "HiFi"
te mogen gebruiken moest apparatuur aan die norm voldoen en die
norm was niets anders dan wat eerder beschreven is, een lineaal-rechte
karakteristiek van 20 tot 20.000 Herz en een vervorming beneden
1%.
Begin jaren '70 toonde het perceptieonderzoek aan dat er bij
het horen nog een geheel ander effect een rol speelde, namelijk
"tijd"! Een deel van ons luisteren berust op tijdwaarneming,
dit in tegenstelling tot het waarnemen van frequenties. Die ontdekking
leidde tot een eenvoudige "wetenschappelijke" (daar
is het weer!) bewijsvoering. Als we een ruissignaal (u weet nog
wel dat geluid wat je vroeger kon horen als je verkeerd afstemde
op de FM-band) splitsen in twee kanalen en in het ene kanaal
een tijdsvertraging aanbrengen van 1 milliseconde , dat signaal
toevoeren aan twee oorschelpen van een hoofdtelefoon, dan "horen"
we een toon van 1 kiloHertz.
Overigens werd in 1978 voor het eerst gemeten in het binnenoor
van een "levend" mens. Daarbij bleek dat bij het waarnemen
van 1 toon niet 1 trilhaartje in beweging kwam, maar een groep
trilhaartjes.
Nog even terug naar het perceptie onderzoek. Daar toonde men
ook aan dat de mens een toon kan herkennen als er twee exacte
sinussen (van gelijke lengte) worden weergegeven. Ook dat is
een bewijs voor de tijdswaarneming, immers we horen dan twee
maal dezelfde tijdspanne.
Nu vraagt u zich af wat dit alles te maken heeft met de weergave
van muziek. Helaas moet ik, als elektronicaman, zeggen: alles!
In veel elektronica wordt er maar wat aangerommeld met de tijd.
Meer specifiek gezegd: veel schakelingen verschuiven de tijd
afhankelijk van de signaalgrootte. Dus tijdens de weergave "verschuift"
de tijd met regelmaat en zeer kortstondig. Dat brengt ons hoofd
als het ware in de war en we moeten (onbewust) corrigeren voor
wat er mis gaat. Doordat de hersenen zich nu meer moeten inspannen
ontstaat luistermoeheid.
Wat nu te doen als u een echte muziekliefhebber bent? Om te beginnen
natuurlijk een goed klinkende versterker gebruiken. Zelfs de
goedkoopste luidspreker zal een veel beter geluid geven als de
versterker het goed doet. Waar je dan vooral op moet letten is
op het vervormingcijfer. Als er bijvoorbeeld staat: THD <1
% dan is het meestal een goed klinkende versterker. Als er staat:
THD <0,005 % of nog minder dan is het verdacht, hoe meer nullen
achter de komma hoe erger het wordt!
Vanwege de concurrentie trachten fabrikanten een minimaal vervormingcijfer
te bereiken. Dat doe je door heel veel transistoren (of buizen)
toe te passen, die heel veel te laten versterken en vervolgens
veel "tegen te koppelen". En, hoe meer transistoren
(en andere componenten) hoe groter de kwaal.
Ook op afstand bedienbare functies zijn verdacht. Vooral als
de ingangskeuze door middel van een processor gestuurde chip
gebeurt. Het mooiste is het als via de afstandsbediening een
motortje wordt aangestuurd, zowel voor de ingangskeuze als voor
het volume. Dat motortje kun je horen (met je oor dicht bij de
versterker) en ook kun je de knop zien bewegen. Bij Sony heeft
men op dit punt goed naar ons geluisterd en bijna alle versterkers
worden nu door middel van motortjes bediend. Een versterker zonder
afstandsbediening is natuurlijk ook prima!
Een aardig (of beter onaardig) gegeven is ook het effect van
zogenaamde "mute" transistoren. Dat zijn transistors
die uitsluitend als schakelaar werken en dienen om het audio
signaal kort te sluiten. Die functie wordt bijvoorbeeld gebruikt
in CD-spelers als we omschakelen van het ene muziekstuk naar
het andere. Op dat omschakelmomentje zou er wellicht een "klikje"
uit de luidspreker kunnen komen en daar kan u, als moderne consument,
niet tegen. Die schakelende transistoren doen meer dan schakelen.
Op het moment dat ze niet functioneren, en er dus geluid uit
de luidsprekers komt, werken die transistoren als variabele condensatoren.
(Van dat effect wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt om uw radio
op de zender af te stemmen.) De waarde van de condensator varieert
afhankelijk van de amplitude (grootte) van het audio signaal.
Gedurende de muziekweergave varieert die condensator en zorgt
daarmee voor een varierende tijdsvertraging! Daardoor vervaagt
het stereobeeld en alle eerder genoemde effecten nemen in hevigheid
toe. Gelukkig kan de goedwillende hobbyist die transistoren met
een eenvoudige kniptang die transistoren verwijderen.
In 1988 bezocht ik de ontwerpafdeling van Grundig in Duitsland.
Op een gegeven moment kwam er een ontwerper naar me toe en die
vertelde apetrots dat in nieuwe Grundig CD-spelers de mute-transistoren
weggelaten werden. Toen ik hem vroeg waarom ze dat deden was
het antwoord "dat klinkt beter"! Hoe dat kwam wist
men niet, er was geen duidelijke verklaring voor. Dat heb ik
toen maar uitgelegd aan die heren.
Helaas worden in vrijwel alle CD-spelers, en in sommige versterkers,
die verdraaide mute-transistoren toegepast. Een goede raad: Koop
een kniptang!
The
Sound of Music (6)
door John van der Sluis
Zoals in de vorige afleveringen werd
uitgelegd berust ons horen voor een groot deel op
hersenfuncties. Het aardige van muziek is nu dat het "emotie"
kan overbrengen. Je wordt er door geraakt en je kunt er blij
van worden of bedroefd en andersom kan het natuurlijk ook; als
je in een vrolijke stemming bent luister je naar andere muziek
dan wanneer je somber bent. De mate waarin je emotie beleeft
aan muziek kan worden beperkt doordat ons hoofd, onze hersenen,
op het verkeerde been wordt gezet vanwege slechte geluidskwaliteit.
In mijn ervaring beleven mensen muziek intenser naarmate de "afbeelding"
beter is. Onder afbeelding (in het Engels "stereo image")
verstaan we de mate waarin de musici, schijnbaar, in de breedte,
diepte en soms zelfs in de hoogte afgebeeld worden. Vooral bij
symfonische muziek kan die afbeelding breder en dieper zijn dan
de feitelijke afmetingen van de luisterruimte. Die ruimtelijke
afbeelding is minder duidelijk waarneembaar indien er veel elektronica
in de versterker zit en naarmate er meer, of minder, mute transistoren
zijn toegepast. Maar er is meer
.. Bijvoorbeeld de luidsprekers!
Luidsprekers
Het zal u wel eens verteld zijn dat luidsprekers
op "oorhoogte" moeten staan. Dat is ook logisch en
begrijpelijk. Maar een goede vuistregel is ook dat luidsprekers
ten minste 30 cm vanaf de muren of andere vast objecten geplaatst
moeten worden om te voorkomen dat reflecties het ruimtelijke
beeld verstoren. Ook dienen luidsprekers zodanig schuin geplaatst
te worden dat de "assen" elkaar op 1 meter voor de
luisteraar(s) kruisen.
Ook de soort luidspreker speelt natuurlijk een rol, maar dat
is veelal een kwestie van persoonlijke smaak en daar zullen we
het hier maar niet over hebben. Interessant is wel dat naarmate
het frontpaneel smaller is de afbeelding beter wordt.
Een gruwel zijn ook de haakse hoeken die je meestal ziet van
het front- naar het zijpaneel. Bij betere (vaak duurdere) luidsprekers
is die hoek afgeschuind. Een erg mooi model werd ook gemaakt
door de Schotse Tannoy fabriek in hun "Sixes" serie;
daarbij werden zes panelen onder varierende hoeken toegepast
voor de staande panelen. Onze eigen modellen zijn rond en dat
geeft een nog betere "afstraling" dan alle hoekige
modellen.
Als je een nieuwe luidspreker gaat kopen
is het ook belangrijk dat die luidspreker en je versterker elkaar
goed "verstaan"! Om te beginnen heb je te maken met
de gevoeligheid (of beter: het rendement). Die gevoeligheid wordt
uitgedrukt in deciBellen en dat duidt de geluidsdruk aan als
je er 1 Watt in stopt en op 1 meter afstand gaat meten. Voor
normaal huiskamergebruik kun je stellen dat je voor een luidspreker
met een gevoeligheid van 86 dB een versterker nodig hebt van
minstens 50 Watt. Bij 89 dB wordt dat 25 Watt en bij 92 dB kun
je volstaan met 10 a 12 Watt. Een nog hoger rendement lijkt aantrekkelijk
maar vrijwel alle luidsprekers met een rendement van bijvoorbeeld
95 dB of meer produceren goed hoorbare "kleuring".
Dat betekent dat het luidsprekersysteem er geluiden extra bij
verzint die niet in de opname zitten. Dat is vooral opvallend
bij de weergave van violen en stemmen van alt tot sopraan.
Een ander euvel is de impedantie. Dat is de schijnbare weerstand
die de versterker "ziet" als je de luidspreker aansluit.
Vrijwel alle fabrikanten specificeren een impedantie die gemeten
werd als er een sinus van 1000 Hertz wordt weergegeven. Helaas
is dat geen muziek, muziek is veel complexer. Alle luidsprekers
vertonen impedantiedippen als je er impulsvormige signalen op
los laat. Sommige, met 8 Ohm gespecifeerde luidsprekers, presteren
het zelfs om twee dippen te vertonen die beneden 2 Ohm gaan.
Dat vinden de meeste versterkers niet leuk. Ze moeten dan de
viervoudige stroom gaan leveren en dat kunnen de eindtransistoren
(of de eindbuizen) niet aan en de beschermende stroombeveiliging
komt dan in werking. En dat betekent veel en hinderlijke vervorming.
De conclusie is dan vaak dat de luidspreker niet deugt, maar
eigenlijk ligt het aan de versterker. In elk geval moet u er
van uitgaan dat alle luidsprekers die met 8 Ohm gespecificeerd
worden dippen vertonen van 4 Ohm en idem luidsprekers van 4 Ohm
hebben dippen van 2 Ohm. Als de specificatie van de versterker
niet aangeeft dat ie dat aankan is het dus oppassen geblazen.
Veel verwarring is er ook over het "vermogen" van de
luidspreker. Meestal wordt de vuistregel gehanteerd dat de luidspreker
meer vermogen moet kunnen verwerken dan de versterker kan leveren.
Dan immers kun je hem nooit overbelasten of "opblazen".
Dat is een algemene misvatting! Met een 10 Watt transistor versterker
kun je met gemak een 100 Watt luidspreker kapot maken. Als men
een transistorversterker luider zet dan ie aankan komen er geen
sinussen meer uit maar blokgolven en juist daar gaan luidsprekers
aan kapot. Een 100 Watt versterker kun je met een gerust hart
op een 20 Watt luidspreker aansluiten. Dat vermogen van 100 Watt
wordt in de huiskamer nooit bereikt en alles blijft keurig heel.
Elke luidspreker kan kortstondig een veelvoud van zijn gespecificeerde
vermogen aan zolang het signaal sinusvormig is.
The
Sound of Music (7)
Door John van der Sluis

LUIDSPREKERKABELS
Audio kabels zijn een verhaal apart.
Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar de luidspreker kabels.
In principe is dat een eenvoudige geleider voor stroom en spanning.
En hoe groter het versterkervermogen hoe dikker de kabel. Althans
dat zal een "specialist"u vertellen. Helaas is het
niet zo eenvoudig.
De meeste, en vooral goedkope, luidsprekerkabels hebben twee
gevlochten koperen aders die in een kunststof omhulling zijn
geperst. Als zo'n eenvoudige kabel nieuw is (en niet al te dun
zoals bij sommige surround sets) dan gaat het allemaal wel goed.
Er zijn maar een paar dingen waar je goed op moet letten:
1. Koop altijd een kabel die wat langer
is dan wat je echt nodig hebt.
2. Vermijd stekers. Schroef liefst de kabel direct aan de versterker
en aan de luidspreker.
3. Probeer een kabel te vinden waarbij de geleider is opgebouwd
uit weinig adertjes, dus stug en moeilijk buigbaar.
Dat laatste heeft te maken met het effect
van verschillende materiaalsoorten. Elke overgang van het ene
materiaal naar het andere kan (en vooral na oxidatie) een halfgeleiderovergang
vormen. Je zet dan als het ware een diode tussen de versterker
en de luidspreker en dat veroorzaakt duidelijk hoorbare vervorming.
Kabels met koperen, zilveren of verzilverde kernen oxideren.
Ook inwendig! Maar vooral aan de uiteinden waar ze aan de (vochtige)
lucht blootgesteld zijn. Die oxidatie leidt alweer tot de vorming
van halfgeleiderovergangen. Een goede gewoonte is het dan om
elk jaar de uiteinden enkele centimeters in te korten. Als uw
kabels er al enige jaren tussen zitten zult u verbaasd zijn met
hoezeer het geluid verbetert als je de uiteinden afknipt en opnieuw
aanstript.
In installaties met een goede versterker is het ook goed te letten
op de soort isolatie van de luidsprekerkabel. Het geluidssignaal
gaat weliswaar door de geleider, maar de elektrische velden verplaatsen
zich door de isolatie, dus buiten de aders. Een heel bedenkelijk
materiaal in dat opzicht is PVC. Heel mooi isolatiemateriaal
is teflon, maar dat is vreselijk duur. Het allermooist is lucht,
maar dat is niet praktisch.
Begin jaren '80 ontstond er een trend om kabels te maken met
zoveel mogelijk heel dunne adertjes. Dat heeft dan het voordeel
van soepelheid. Maar de voornaamste reden om dat zo te doen was
het zogenaamde "skineffect". Dat effect komt er in
het kort op neer dat wisselspanningsignalen, zoals muziek, zich
voor een belangrijk deel langs de oppervlakte van de geleider
verplaatsen en hoe meer adertjes hoe meer oppervlakte. Helaas
is de hypothese die hieraan ten grondslag ligt slechts ten dele
waar en bij audio is het resultaat juist dat de geluidskwaliteit
vermindert door de opgewekte elektrische velden. Het zou wel
goed kunnen werken als elk geleidend adertje apart geïsoleerd
was. Een heel mooie geleider bestaat uit een enkele massieve
ader. Dat is te koop en wordt (bijv. door Hans Groen) aangeboden
onder de naam "VD-draad". Dat is dus gewoon installatiedraad
zoals dat ook in uw huis zit. Een groot nadeel van die draad
is echter het pure PVC wat er omheen zit en het oxideert (binnenin)
razendsnel.
Sinds kort importeren wij kabels met "vernikkelde"
geleiders. Dat gaat duidelijk langer mee dan de meeste andere
luidsprekersnoeren en het klinkt verbazingwekkend goed. (De eenvoudigste
soort kost Euro 4,- per meter.) Gewoon snoer met koperen aders
oxideert binnenin zodanig dat u het na vijf jaar beter weg kunt
gooien. De wat betere (beter geïsoleerd) kabels gaan maximaal
10 jaar mee.
Een goede kabel geeft u meer plezier aan uw muziekbeleving. Het
is echt verkeerde zuinigheid als u daarop bespaart.
The
Sound of Music (8)
Door John van der Sluis
Interlinks
De vorige keer hebben we het belang van
luidsprekerkabels besproken. Maar ook interlinks zijn van belang.
Onder de term interlink verstaan we de afgeschermde verbinding
tussen apparaten die het signaal op lijnniveau transporteren.
Het gaat daarbij om de verbinding tussen bijvoorbeeld de bron
en de versterker zoals vanaf de CD-speler, het cassettedeck,
de MD-speler, de tuner, de videorecorder etc. Een bijzonder geval
is de DVD-speler maar daarover later meer.
Tot begin jaren '70 was in Europa de zogenaamde "DIN"
steker in zwang. Die steker bestond uit een metalen bus met binnenin
vijf pennetjes. In 1973 werd de markt overspoeld met Japanse
apparatuur en daarbij was de DIN-aansluiting vervangen door "cinch"
busjes, ook wel RCA aansluiting genoemd. Tegenwoordig is die
cinch aansluiting standaard op alle apparatuur. Het gaat daarbij
(aan de kabelzijde) om een metalen busje met in het midden één
centrale metalen pen. Dat zou een goede verbinding moeten geven
hoewel er door de fabrikanten nogal geschipperd wordt met de
kwaliteit. Vooral bij de goedkopere apparatuur worden aansluitbusjes
gebruikt die mechanisch nogal zwak zijn. Het soms meegeleverde
snoertje, meestal stereo met twee tegen elkaar liggende snoertjes,
is ook van dubieuze kwaliteit.
Bij het transport van audio signalen van het ene apparaat naar
het andere gaat het om signalen met een maximale spanning van
omstreeks 500 milliVolt. De zachte signalen van sommige instrumenten,
maar ook de akoestische informatie, de galm in de opnameruimte,
hebben vaak een niveau rond 50 microVolt. Juist die laatste signalen
worden gehinderd door een slechte verbinding en meestal zijn
ze daardoor onhoorbaar. Dat kan natuurlijk beter als je een speciale
interlink kabel gebruikt die met het oog op die microsignalen
ontworpen is. Dergelijke kabels zijn doorgaans voorzien van zeer
goed klemmende stekers. Als je zo'n kabeltje gebruikt en je wilt
hem losmaken van een standaard apparaat dat dient dat omzichtig
te gebeuren. Door de goede klemming kan een zwak busje in het
apparaat afbreken als je er te wild mee omgaat.
Goede interlinks, bijvoorbeeld "Simplicity"van Sonic
Link zijn te koop vanaf Euro 64,- voor een stereo meter. Een
nog wat betere kwaliteit varieert in prijs van Euro 84,- tot
Euro 152,-. Eén van de allermooiste kabels die op dit
moment gemaakt worden is de "Control" van Sonic Link
en die kost Euro 168,- voor een halve meter en Euro 200,- voor
een meter.
Het prijsverschil tussen die kabels zit in het materiaal wat
er voor gebruikt wordt. De hiergenoemde goedkoopste heeft een
kern met vertind koperen adertjes en de isolatie is uit siliconen
rubber vervaardigd. Wat duurdere kabels hebben verzilverde aders
en zijn voorzien van PTFE (teflon) isolatie. De genoemde "Control"
heeft massieve nikkelen aders en een nog wat zwaardere steker.
Ieder materiaal heeft zijn eigen klankkleur maar in de meeste
installaties geeft de "Simplicity" al een zeer duidelijk
waarneembare verbetering.
DVD
De huidige DVD-spelers vormen een hoofdstuk
apart. Over het algemeen zijn die spelers voorzien van drie soorten
aansluitingen. Eén aansluiting is de "SCART"
bus voor de verbinding met het TV-toestel. De meeste meegeleverde
SCART kabels geven een belabberde beeld- en geluidskwaliteit.
Vanaf Euro 25,- is er een wat betere kabel te koop met vergulde
aansluitingen. Een echt mooie SCART kabel, vooral in combinatie
met een moderne breedbeeld TV, kost Euro 68,-. Het kwaliteitsverschil
zit in het hoogfrequent gedrag van die kabel. Een beeldsignaal
heeft een bandbreedte van 5 MHz (vijf miljoen Hertz) en dat stelt
bijzondere eisen aan de verbinding met de TV.
Voor het digitale surround signaal (wat gedecodeerd wordt in
de receiver) wordt een speciale 75 Ohm aansluiting gebruikt.
Na onderzoek voor onze eigen apparatuur bleek dat er heel weinig
kabels zijn die écht 75 Ohm zijn. Sonic Link bleek een
van de weinige fabrikanten die een kabel leveren die aan die
specificatie voldoet, bovendien is het een van de goedkoopste
in de markt. Zo'n digitale interlink kost Euro 80,- voor een
halve meter en Euro 96,- voor een hele meter. Het moet gezegd,
deze digitale interlink maakt een wereld van verschil uit bij
surround weergave! De kanaalscheiding is beter en het geluid
komt meer tot "leven".
De derde aansluiting op de DVD-speler is een gewone stereo aansluiting.
Sommige DVD's hebben geen digitale surround voorziening maar
geven het geluid "gewoon" stereo (of Dolby Pro Logic).
Voor die aansluitingen kunt u weer de eenvoudige "Simplicity"
toepassen.
The
Sound of Music (9)
Door John van der Sluis
STEREO
Tegenwoordig hebben we allemaal "stereo"
in huis. Het aardige daarvan is dat het geluid van links en van
rechts komt en als gevolg daarvan dat je enigszins kunt bepalen
op welke plaats een zanger of een instrument zich bevond ten
tijde van de opname. Dat "enigszins" vormt nu juist
de kneep. Hoewel de opname technici hun best doen om een zogenaamd
"stereobeeld" vast te leggen komt daar thuis meestal
weinig van terecht. Daar zijn veel, meestal elektronische, oorzaken
voor te beginnen in de CD-speler en vervolgens in de versterker.
Omdat je daar weinig aan kunt doen zullen we daar hier niet verder
op ingaan. De enige mogelijkheid is bij de aanschaf een apparaat
te kiezen wat in elk geval het "ruimtelijke" beeld
zo weinig mogelijk aantast.
Wat is nu dat "ruimtelijke stereobeeld" vraagt u zich
misschien af. In principe betekent het dat alle instrumenten
individueel plaatsbaar zijn zowel in de breedte als in de diepte.
Je kunt dus als het ware "zien" dat die gitaar vlak
voor je neus zit en de drum of de pauken een paar meter daarachter.
Bij een goede opname is het beeld ook breder dan de kamer waarin
je zit te luisteren. Het geluidsbeeld staat dus "los"
van de luidsprekers in de ruimte, het zit niet aan de luidsprekers
"vastgekleefd".
Er zijn een paar manieren om tot een goede stereoweergave te
komen. Een zaak om goed op te letten zijn de verbindingskabels,
maar daar hebben we het al eerder over gehad in deze kolommen.
Iets anders is de plaatsing van de luidsprekers. De opnamen die
u op CD beluistert zijn zodanig gemaakt dat het geluid optimaal
is als de luidsprekers 3 à 4 meter uit elkaar staan. Verder
zijn de voorzijden van de luidsprekers iets naar binnen gericht
en wel zodanig dat de snijlijnen elkaar kruisen op omstreeks
1 meter vóór de plaats waar u meestal zit.
Belangrijk is ook dat er geen obstakels naast of achter de luidsprekers
staan. Plaats ze in elk geval ten minste op 30 centimeter afstand
vanaf de muur en vooral niet in de hoeken van uw kamer. Een luidspreker
in de hoek geeft "dikke boem" en hoewel dat in het
begin spectaculair klinkt is het op den duur erg vermoeiend.
SURROUND
Helaas zijn er een aantal verschillende
systemen gebruikt om surround weergave mogelijk te maken. De
meest gangbare systemen op dit moment zijn Dolby Digital (ook
wel AC-3 genoemd) en DTS. Beide systemen stammen af van het eerdere
Dolby Pro Logic. Om het niet al te duur te maken voor de consument
werden en worden er luidsprekersets aangeboden waarbij er onderscheid
gemaakt wordt tussen de zogenaamde "Front" luidsprekers
en de andere luidsprekers. Die front luidsprekers zijn meestal
staande modellen die het gehele audiogebied weergeven en ze zijn
in principe identiek aan "normale" stereo luidsprekers.
De derde luidspreker is de "Center" luidspreker die
liggend onder of boven de TV wordt geplaatst. Tenslotte zijn
er een paar "Satellieten" die het geluid achter de
toehoorder weergeven. De behuizingen van die laatste typen (center
en satelliet) zijn zo klein dat goede basweergave niet mogelijk
is. En vooral spektakelfilms zijn voorzien van forse basgeluiden.
Daarom wordt een extra kanaal gecreëerd (dat staat dus niet
op de DVD) waarmee een "actieve" subwoofer aangestuurd
wordt. Vandaar ook de term 5.1, dat duidt op 5 kanalen plus een
extra baskanaal dat uit de bestaande vijf kanalen in één
kanaal samengevoegd wordt. Men gaat er daarbij van uit dat basgeluiden
akoestisch niet plaatsbepalend zijn.
De opname mensen gaan echter uit van vijf volkomen identieke
kanalen waarvoor in de huiskamer vijf identieke "full range"
(dus nogal grote) luidsprekers gebruikt worden.
De plaatsing van de luidsprekers wordt meestal zodanig aanbevolen
dat de frontluidsprekers en de center luidspreker op één
lijn staan met, net als bij stereo, de front luidsprekers omstreeks
3,5 meter uit elkaar. De satellieten (of achter luidsprekers)
worden links en rechts achter de luisteraars geplaatst en wel
op ten minste 0,5 (maar liever 1) meter vanaf de dichtstbijzijnde
luisterplaats.
Voor een optimale weergave is het absoluut noodzakelijk dat alle
luidsprekers in zo'n systeem op gelijke hoogte staan. Zet daarom
die satellieten op een stevige standaard en bevestig ze niet
aan de muur, of, nog erger, aan het plafond! Een standaard (in
het Engels "stand") kan altijd verplaatst worden en
dat biedt een duidelijk voordeel.
The
Sound of Music (10)
Door John van der Sluis
Surround Luidspreker
Plaatsing
In de vorige aflevering werd de plaatsing
van luidsprekers besproken in een surround opstelling. Er werd
daarbij uitgegaan van de bekende Dolby Digital en DTS systemen
zoals die doorgaans in de winkel worden aangeboden. Echter dat
geldt voor de Nederlandse winkels. In Amerika wordt over het
algemeen surround bedreven met vijf grote full range luidsprekers.
De meeste Amerikaanse consumenten schakelen daarbij ook over
van een normale TV naar een LCD projector die een beeld projecteert
op een scherm van 2 x 3 meter of groter. Het zal duidelijk zijn
dat daarbij het "bioscoopgevoel" beter tot zijn recht
komt. Je kunt dan inderdaad spreken van een "Theater Thuis"
situatie. In de meeste Nederlandse huiskamers is zo'n opstelling
ondenkbaar.
SA-surround
Inmiddels is er voor geluid ook een nieuwe
drager ontwikkeld. De opvolger van de CD wordt nu de Super Audio
Compact Disk ofwel SA-CD. Omdat de DVD schijfjes meer opslagruimte
bieden worden SA-CD's nu meer en meer opgenomen met een surround
registratie. Vrijwel alle nu aangeboden SA-spelers hebben daarom
zes uitgangen. Let wel in tegenstelling tot Dolby Digital of
DTS wordt SA-surround dus met één kanaal meer opgenomen.
Meestal wordt dat zesde kanaal gebruikt voor basweergave, maar
ik ken ook een opname waarbij het zesde kanaal voor hoogte informatie
wordt gebruikt.
Een belangrijk aspect bij die SA-opnamen is dat de opname technici
échte geluidsmensen zijn. Bij SA-opnamen wordt beter gelet
op de natuurgetrouwheid van de weergave. Als alles goed is krijg
je, als er bijvoorbeeld een klassiek concert wordt weergegeven,
het gevoel écht in de concertzaal te zitten. De akoestiek
van de zaal komt nu veel beter tot zijn recht dan bij stereo.
Interessant is nu dat de plaatsing van de luidsprekers voor een
optimale weergave anders is dan bij films. Het is nu de bedoeling
dat alle vijf luidsprekers op gelijke afstand van de luisteraar
in een cirkel worden opgesteld. De luisteraar zit dus echt middenin
het geluidsbeeld.
Aardig om te zien is dat ook de filmmakers, weliswaar schoorvoetend,
deze luidspreker opstelling overnemen. Bij een goede surround
opname (en bij alle SA-surround opnamen) is het dan niet meer
nodig de tijdsvertraging voor de achterkanalen zelf in te stellen,
immers de akoestiek zit al in de opname. Dat scheelt weer een
paar knoppen en/of moeilijke instellingen.
Het is natuurlijk leuk als u zelf ook eens die nieuwe luidspreker
opstelling uitprobeert. De zithoek moet dan wat naar voren en
de frontluidsprekers wat dichter naar de luisterplek. Doe dat
eens en u zult merken dat het geluidsbeeld inderdaad "levensechter"
wordt!
The
Sound of Music (11)
Door John van der Sluis
Het Bibbereffect
Eén van de apparaten in onze eigen
Hawk Audio lijn is een CD-speler van Philips die door ons omgebouwd
wordt. Die Philips is eigenlijk heel bijzonder omdat daar, ondanks
de lage prijs, een heel erg mooi draaiend gedeelte ofwel loopwerk
in zit. Vanwege de concurrentiepositie wordt er bij dit model
ernstig bezuinigd op de kwaliteit van de onderdelen. Dat nu biedt
ons de mogelijkheid om op relatief eenvoudige wijze een grote
verbetering te verkrijgen. Naast het vervangen door beter "klinkende"
onderdelen brengen we aan de onderkant een natuurstenen plaat
aan. Dat maakt de speler meer dan 2x zo zwaar en het zorgt ervoor
dat de speler minder "last" heeft van trillingen.
In de eerste zes maanden van dit jaar is een jonge ingenieur,
Wim van de Maarl, bij ons afgestudeerd op een onderzoek naar
trillingen in audio apparatuur. We hebben dan te maken van twee
soorten verstoringen, de trillingen die van buitenaf in het apparaat
doordringen en de trillingen die in het apparaat zelf opgewekt
worden. Het bleek na uitvoerig literatuur onderzoek dat er binnen
het audiovak nauwelijks serieus onderzoek is gedaan naar deze
trillingseffecten en het onderdrukken daarvan. Het is wel zo
dat zowel Sony als Pioneer in de wat duurdere apparatuur zeer
zware chassis toepassen, maar dat heeft geen wetenschappelijke
onderbouwing.
Bij het onderzoek naar de diverse materiaalsoorten bleek dat
een bepaalde soort PVC belangrijke voordelen biedt ten opzichte
van zowel natuursteen, als MDF konstrukties en stijve metalen
konstrukties. Dat voordeel kan nog verbeterd worden indien een
moderne techniek toegepast wordt die "Constant Layer Damping"
genoemd wordt. Het gaat daarbij om een konstruktie uit twee platen
waartussen een dempende materie is opgenomen. Die twee platen
zullen onder de invloed van trillingen verbuigen (als ze niet
te stijf zijn!) en door die buiging verschuift het dempende materiaal
en zet daarbij de trillingsenergie om in warmte. Deze vorm van
konstrueren wordt al langer toegepast in de lucht- en ruimtevaart
industrie, maar dus niet in audio.

We hebben nu de afgebeelde plaat gekonstrueerd
met daaronder bijzondere isolerende verende voetjes.
"The proof of the pudding is in the eating" en dat
deden we door een aantal proefkonstrukties te vergelijken in
een blinde proeftest. Het bleek nu zonneklaar voor alle luisteraars
dat deze plaat met kop en schouders boven de alternatieven uitstak.
Het geluid van de CD wordt rustiger en ook beter gedefinieerd.
Het resultaat is het beste te omschrijven als een meer "muzikale"
weergave. Dat wordt natuurlijk het beste duidelijk als je akoestische
muziek beluistert zoals klassieke concerten, jazz of opera. Maar
ook goede opnamen van popmuziek (denk aan Ierse bands zoals Clannad)
klinken beter!
Trillingen spelen een rol in allerlei elektronische apparaten.
Dat geldt het meest voor apparatuur met bewegende delen zoals
CD-spelers, DVD-spelers, SA-CD-spelers, video- en cassetterecorders,
maar ook voor versterkers en tuners.
We hebben deze trillingsdempende platen daarom ook uitgeprobeerd
onder diverse DVD-spelers en ja hoor, het beeld wordt ook beter,
vooral rustiger en, alweer, beter gedefinieerd. Eigenlijk is
dat ook logisch als je je realiseert dat juist bij DVD de putjes
in het schijfje veel kleiner zijn en er bij het minste of geringste
uitleesfouten optreden. Die fouten worden min-of-meer gecorrigeerd
door de automatische foutcorrectie zodat de kijker daar weinig
van merkt. Maar die correctie treedt altijd op NADAT de fout
is opgetreden en zoals bij alles is ook hier voorkomen beter
dan genezen.
De dempingsplaat kost Euro 92,50 en iedereen kan het zeer eenvoudig
onder zijn bestaande apparatuur plaatsen. Het wordt nog beter
als u ons ook het apparaat zélf laat modificeren. We zorgen
er dan voor dat ook de kap nauwelijks meer trilt en dat de bodem
beter aansluit op de dempingsplaat. De meerprijs voor die behandeling
is Euro 25,-. Ook u kunt nu nog meer genieten van uw films en
muziek met deze eenvoudige ingreep!
N.B. Onze afstudeerder kreeg de waardering "10" voor
dit project en hij werd voorgedragen voor een prijs als beste
werktuigbouwer in Nederland die in 2002 afstudeerde. |