Home
Surround Sound
Audio Forum

The Sound of Music
Harvey Rosenberg versus Bruce Rozenblit

Hawk Story

Discussie met een gebruiker

MS-Tube 1

MS-Tube 2

Recensies

Meningsverschillen

Trucs & Tips
Boeken over Audio

Downloads

Eerder geplaatste artikelen 2001-2002

The Sound of Music (1)
door John van der Sluis

We leven in een wereld vol geluid. Zelfs het kleine Overschie (de wijk van Rotterdam waar we gevestigd zijn) wordt vaak beheerst door de discussie over de geluidsgolven die op de omringende snelwegen worden veroorzaakt. En als je gaat shoppen in de binnenstad moet je goed oppassen dat je geen gehoorbeschadiging oploopt in een van die knetterende kledingwinkels. Om maar te zwijgen van de vaak oorverdovende geluidsdruk in disco's en andere horeca gelegenheden. Ja, zelfs in het dorpse Overschiese!
Valt er op een of andere manier dan nog plezier aan geluid te beleven kunnen we ons nu afvragen. Het antwoord is niet eenvoudig maar laat me een poging wagen.
Muziek is er altijd wel geweest in een of andere vorm. In de oertijd, en nog steeds in sommige delen van donker Africa en Zuid Amerika, gaven we uiting aan onze gemoedsstemming door middel van verschillende soorten percussie instrumenten, trommels dus. Voor onze huidige muziekbeleving klinkt dat wat ongenuanceerd gewend als we inmiddels zijn aan allerlei andere blaas, strijk en tokkelgeluiden. Vanaf de vroege middeleeuwen kwam daar verandering in. Talloze instrumenten werden bedacht en gebouwd en sinds die tijd hebben vele componisten allerhande soorten muziek geschreven die dan meestal door anderen werd uitgevoerd. Om dat te kunnen beluisteren moest je je naar een ruimte begeven waar die muziek "live" gespeeld werd. En nog steeds zitten de concertzalen (gelukkig) vol met luisteraars die het allemaal graag zo natuurlijk mogelijk willen meemaken.

Elektronica

Sinds Lee de Forest de versterkende radiobuis uitvond is er echter een geheel andere manier van muziek beleven ontstaan. Gedurende de jaren '20 en '30 bestond dat in hoofdzaak uit het beluisteren van de radio. De toen gebruikte midden en lange golfgebieden waren een bron van ergernis want je muziek werd vaak vergald door de "Mexicaanse hond". Dat is een soort zwevend piepgeluid dat ontstaat wanneer twee zenders dicht op elkaar zijn afgestemd. Bovendien veroorzaakten de radio ontvangers zelf ook vaak wat bijgeluiden in de vorm van gebrom en geruis. Rond het begin van de tweede wereldoorlog werd de eerder door Edison c.s. bedachte grammofoonplaat populair. Die platen werden in massa gemaakt en waren daardoor laag geprijsd en voor de meeste mensen betaalbaar. Die platen uit die tijd hadden nogal wat nadelen. Ze werden meestal uit glas vervaardigd en waren daardoor breekbaar. Bovendien was het ruisniveau goed hoorbaar. Dat laatste lag zowel aan de manier van opnemen als aan de weergavekant waar we met stalen naalden de platen steeds verder beschadigden waardoor de ruis toenam naarmate je ze meer draaide. Overigens had Edison zelf al in 1920 een (mechanische) platenspeler bedacht waarin de onverslijtbare diamantnaald werd toegepast.
Het aardige echter was dat nu vrijwel iedereen naar de door hem of haar gewenste muziek kon luisteren op de plek en tijd die de luisteraar het beste uitkwam. Dat is een groot verschil met de pre-elektronische tijd; we konden gebruik maken van "gereproduceerde" muziek.
In dat woord "reproductie" schuilt meteen ook de moeilijkheid. Om te beginnen moet de muziek op een of andere manier vastgelegd worden. Vervolgens wordt het zodanig bewerkt dat het in massa gekopieerd kan worden. Tenslotte dient de gebruiker/luisteraar apparatuur te hebben waarmee het geluid zo ongeschonden mogelijk wordt weergegeven. Tot op de dag van vandaag is dat een moeilijk proces met vele valkuilen. Daardoor is, zelfs in onze High-Tech samenleving, een echte natuurlijke weergave nauwelijks mogelijk. Maar we kunnen het wel zo goed mogelijk benaderen.

Afb. Philips radio jaren 50 (fotograferen in het Radiomuseum Ceintuurbaan)

The Sound of Music (2)
door John van der Sluis

De Jongste Geschiedenis

In het vorige stukje werd in grote lijnen de geschiedenis van de muziekbeleving beschreven. We waren aangeland bij de tweede wereldoorlog. Die oorlog gaf een extra stimulans aan de massaproductie van platen. Dat werd ondersteund door de radio uitzendingen waarin populaire artiesten en orkesten hun bekendste stukken lieten horen. Dat leidde tot verkoopcijfers in de orde van meer dan 1 miljoen platen van 1 enkele opname.
De techniek stond niet stil en onmiddellijk na de oorlog werd de langspeelplaat geïntroduceerd. Op zo'n 30 cm plaat kon, door de groeven beduidend kleiner te maken (en het toerental lager), wel een half uur muziek aan één kant worden opgenomen. Die "micro-groove" was mogelijk door de ontwikkeling van kunststof als plaatmateriaal en dat was overigens tijdens de oorlog door een Nederlandse techneut ontwikkeld.
In die naoorlogse periode ontstond ook de behoefte aan meer zenders dan wat er op de lange en middengolf mogelijk was. Mede door de ontwikkeling van moderne radiobuizen kon de FM-band ofwel de Ultra-Korte-Golf (UHF) in gebruik worden genomen. Het FM zendsysteem had bovendien het voordeel dat het ruisniveau sterk verlaagd werd en ook de beruchte "Mexicaanse Hond" behoorde daarmee tot het verleden.
In het midden van de jaren >50 ontstond de mogelijkheid om binnen één groef op de plaat twee kanalen te noteren, we kregen "stereo".
In die tijd ontstond ook een cultus van geluidsfanaten die door middel van, veelal zelf gebouwde, bijzondere apparatuur de weergavekwaliteit sterk konden verbeteren. Zoals vaker was ook deze cultus slechts weggelegd voor de "happy few" die zowel enige technische kennis bezaten als over de geldmiddelen beschikten (het was nogal prijzig) en daarnaast een liefde voor muziek hadden. Daarover later meer.
Met de opkomst van de goedkope "silicium" transistor werd het mogelijk zeer goedkoop grote aantallen stereo apparaten te fabriceren. Vooral Japanse fabrikanten maakten daar in het begin van de jaren '70 gebruik van en overspoelden de Amerikaanse en Europese markten met goed uitziende en redelijk klinkende betaalbare stereo apparatuur. Daarmee was de doorbraak naar de mogelijkheid voor elke burger om in eigen huis van muziek te genieten met een goede geluidskwaliteit geschapen. Zonder over de hoge drempel van het concertgebouw te stappen konden we in eigen huis, en op een tijdstip dat het goed uitkwam, muziek reproduceren.
Vooral de popmuzikanten werden mede hierdoor populair. Denk aan de Beatles en Rolling Stones om maar iets te noemen.
Die transistor techniek had nog een prettig gevolg. Doordat transistor versterkers een heel erg lage uitgangsimpedantie (inwendige weerstand) hebben werd het mogelijk luidsprekers te maken van, in vergelijking met eerder, kleiner formaat waar toch nog een redelijke basweergave mee bereikt werd.

De CD

En toen kwam de CD! In 1982 introduceerden Sony en Philips dit optische medium. Die CD was een verdere (digitale) ontwikkeling van de eerdere, maar nooit populair geworden, beeldplaat. De voordelen waren heel duidelijk en werden door de fabrikanten breed uitgemeten:

- geen ruis
- onverslijtbaar
- groot frequentiegebied, van 20 Hertz tot 20 kiloHertz, binnen nauwe toleranties

Dat was nog eens andere koek dan die krassende ruisende en verslijtende langspeelplaten! En de hele goegemeente van zich noemende audio journalisten roemden het nieuwe medium de hemel in. Er waren natuurlijk wel protesten, voornamelijk van die hobbyende audio fanaten die zeiden dat de langspeelplaat echt vele malen beter klonk. En achteraf moeten we ze gelijk geven. Gelukkig is het CD-systeem later veel verbeterd, maar de eerste CD's en de CD-spelers waren bepaald geen hoogstandjes op het punt van geluidskwaliteit.
En dan hebben we nu de DVD waarover een volgende keer meer.

The Sound of Music (3)
door John van der Sluis

De DVD

De DVD is een opslagmedium voor digitale gegevens. Het werd ontwikkeld door de chemische gigant "3-M Company". Mede door het ontwikkelen van laserdioden (een soort lampjes waarmee de putjes op een CD en DVD worden uitgelezen) met een kortere golflengte zag men kans om veel meer informatie op te slaan op een 12 cm schijfje. Die informatie kan van alles zijn zoals computergegevens, beeld en/of geluid.
Zo'n DVD schijfje heeft in principe twee lagen die elk apart kunnen worden uitgelezen. Bovendien zijn je aan twee kanten afspeelbaar (dat laatste wordt nog maar zelden gebruikt).
Vooral de filmproducenten kwamen als vliegen op de stroop af. De DVD bood de mogelijkheid om (gecomprimeerde) filmbeelden op te slaan vergezeld van (eveneens gecomprimeerd) geluid in vijf kanalen. Door de tweede laag ook te gebruiken werd het zelfs mogelijk om een aantal verschillende talen in 5-kanaals geluid op te nemen. Eindelijk konden we af van die vervelende banden die alleen maar versleten en bovendien de afspeelapparatuur sterk vervuilden. Als extra heb je dan ook nog de "bioscoopervaring". Dat wil zeggen dat je thuis, net als in de bioscoop, het geluid rondom te horen krijgt.
Helaas leidde die DVD tot een veelheid aan afspeelnormen die elkaar niet altijd verstaan. Het meest bekend zijn inmiddels "Dolby Digital" (ook wel AC-3 genoemd) en "DTS". Als gebruiker moet je bij de aanschaf van zulke plaatjes dus goed opletten of een van die termen er op staan. Heel veel in de winkel liggende DVD's zijn nog met een van de oudere MPEG-normen opgenomen en veel huidige spelers hebben daar moeite mee.
Naast de film producenten waren ook de geluidsfabrikanten zeer geïnteresseerd in het nieuwe medium. Zoals we weten was er inmiddels een grote groep gebruikers aan het kopiëren geslagen en een gekopieerde CD kost nog slechts 2 Euro. Daarnaast kon wellicht eindelijk tegemoet worden gekomen aan de bezwaren die audiofielen (u weet nog wel die fanaten) tegen de beperkte bandbreedte en de beperkte dynamiek van de CD.
En zo ontstonden DVD-Audio en Super-Audio-CD (kortweg SA-CD). Vooral de laatste is voor de muziek maatschappij interessant omdat bij SA-CD een zeer goede kopieerbeveiliging ingebouwd zit. Ook voor de audio fanaten is de SA-CD het meest interessant omdat daarbij het oorspronkelijke geluid het best benaderd wordt. Een probleem is wel dat veel fabrikanten van apparatuur er niet voor voelen om alweer rechten aan Philips en Sony te moeten betalen. Maar gelukkig zien we steeds meer muziek maatschappijen overgaan tot SA-CD. We mogen dus verwachten dat dit binnen korte tijd de nieuwe algemeen aanvaarde standaard wordt.

Techniek

Zoals eerder beloofd komen we terug op de gebruikte techniek om geluid in de huiskamer te kunnen reproduceren. Dit wordt geen eenvoudig verhaal maar het is nodig om te kunnen begrijpen waarom en waardoor er grote verschillen in geluidskwaliteit bestaan.
In de jaren '20, de begintijd van de elektronenbuis (ofwel radiobuis) waren er talloze uitvinders en technici die probeerden een zo goed mogelijke geluidskwaliteit te realiseren. En sommigen slaagden daar aardig in; dat is zelfs bij ons te horen, we gebruiken tot op de dag van vandaag een schakeling uit 1928!

In die begintijd was het heel moeilijk om te bepalen hoe "goed" een schakeling was. Er moesten meetinstrumenten bedacht worden waarmee men kon meten wat er in zo=n versterkerschakeling gebeurde. Een paar dingen hadden we al, de spannings- of voltmeter, de stroom- of ampèremeter, de weerstands- of Ohmmeter en de vermogens- of Wattmeter. Die instrumenten werden verfijnd om ook heel kleine signalen goed te kunnen meten. Tijdens de jaren >30 ontwikkelde men een vervormingsmeter en men meende alle gegevens nu in de hand te hebben.
Later kregen we de "kijkpijp" ofwel de oscillograaf, een instrument waarmee we elektrische verschijnselen kunnen "zien".
Tot op de dag van vandaag wordt audio elektronica gespecificeerd zoals dat al meer dan 60 jaar geleden werd bedacht. In de folder zien we het vermogen staan, bijvoorbeeld 50 Watt. Dan zien we daar ook de vervorming, tegenwoordig in de orde van 0,001 procent (dus één duizendste van één procent). Verder wordt vaak een ruiscijfer genoemd, bijvoorbeeld ruisafstand >90 dB. En bij versterkers worden in- en uitgangsimpedanties genoemd, bijvoorbeeld ingangsimpedantie = 50 kOhm en uitgangsimpedantie = <0,1 Ohm. Dat laatste wordt ook vaak uitgedrukt in dempingsfactor. Die factor wordt berekend uit de te verwachten luidspreker impedantie gedeeld door de versterkerimpedantie. Bij een luidspreker van 8 Ohm en een versterker van 0,1 Ohm is de dempingsfactor 80. (Er zijn versterkers met een gespecificeerde dempingsfactor van 1000!)
Dat "lijkt" allemaal prachtig, maar het verklaart niet waarom er zulke grote verschillen in geluidskwaliteit zijn.

The Sound of Music (4)
door John van der Sluis

Meten is Weten!

De vorige keer hebben we al het fenomeen besproken dat meetgegevens, zoals ze in de folder staan, weinig zeggen over geluidskwaliteit. Ondanks het, soms, grote vermogen blijkt toch de "bas" rommelig uit de luidspreker te komen. We spreken dan over "ongecontroleerde basweergave". Die lage vervormingcijfers zeggen ook niet veel als je hoort dat een sopraan staat te "gillen", koperblazers plotseling een extra accent krijgen en in het middengebied stemmen schier onverstaanbaar zijn. En als je met zo'n opmerking een winkel binnenstapt krijg je te horen dat het aan de luidsprekers ligt: "Mevrouw/meneer u heeft een setje gekocht met van die kleine tweewegjes, u moet eens luisteren hoe een goede drieweg klinkt!" Vervolgens krijg je een kanjer van een luidsprekerkast te zien waar de bassen naar hartelust uit komen rollen. Dan ben je al snel overtuigd dat dat inderdaad een verbetering zou zijn en de knip gaat snel open. Eenmaal thuis gekomen met de, tot ongenoegen van uw medehuisgenoten, kanjers van luidsprekers blijkt het toch tegen te vallen. Maar ja het geld is uitgegeven en je hebt iets duurders en groters dus moet het wel beter zijn.
Helaas is de handelwijze van het winkelpersoneel goed verklaarbaar. Een grotere luidspreker verkopen lukt bijna altijd en daarmee is het geld snel verdiend. Bovendien, wat erger is, de meeste mensen in het audioverkoop vak hebben geen echte vakkennis.
De grootste boosdoener bij slecht klinkend geluid is de elektronica. Dat is dus meestal de versterker, maar het kan ook de CD-speler zijn (of DVD-speler niet te vergeten) of de tuner of het cassettedeck etc. Het euvel is ook gemakkelijk te herkennen aan een bijkomstigheid die we "luistermoeheid" noemen. Als je daar last van krijgt, zonder je bewust te zijn van wat er aan de hand is, draai je eenvoudigweg de volumeknop wat lager. Bij een echt goed klinkende audio installatie heb je juist de tegenovergestelde neiging, namelijk om het volume wat hoger te draaien!
Inmiddels zult u zich misschien afvragen hoe het nu mogelijk is dat al die afgestudeerde ingenieurs, die de laboratoria van de grote fabrikanten bevolken, er toe komen iets te maken wat matig, zo niet slecht, klinkt? De reden is eigenlijk heel eenvoudig, als techneut wordt je opgeleid met het doel je beroep op "wetenschappelijke" wijze te beoefenen. En dat "wetenschappelijk" impliceert dat de resultaten "meetbaar" moeten zijn. Men "luistert" dus niet maar men "meet"!
In 1983 had ik een gesprek met de ontwerpers van de CD. In dat gesprek, van 's morgens 10 uur tot 's middags 5 uur werd me omstandig uitgelegd wat de theoretische basis was voor de ontwikkeling van de CD en een belangrijk onderwerp daarbij was hoe het mogelijk is een signaal van 20 kHz op betrouwbare wijze in twee "samples" (digitale woorden) te noteren en weer te geven. Op dat moment was het voor mij een vaststaand gegeven dat de CD niet deugde, alle bekende CD-spelers in die tijd klonken erbarmelijk. Aan het eind van het gesprek vroeg ik de ontwerpers wanneer ze voor het laatst een "live" concert hadden meegemaakt. Het antwoord was kort en krachtig: nooit! Die mensen, hoe inventief ook, hadden geen enkele emotie bij muziek, dat viel buiten hun waarnemingskader. En daar moeten we het dus mee doen.
Gelukkig is er veel verbeterd bij de CD weergave en dat is vooral en mede te danken aan het "perceptie onderzoek". Dat is onderzoek naar, onder meer, de subjectieve beleving bij het luisteren. Dat onderzoek bracht zaken aan het licht die een volkomen ander licht werpen op de manier waarop we horen en muziek beleven.

The Sound of Music (6)
Door John van der Sluis

Het Gehoor

Zoals we de vorige keer al zagen is "meten" niet altijd synoniem met weten. In de begintijd, jaren '20, gingen we er van uit dat een mens tonen kon onderscheiden doordat er bepaalde trilhaartjes in het binnenoor worden aangestoten. Bij elk trilhaartje zou dus een bepaalde toon horen. Als we nu maar zorgen dat we alle denkbare tonen met verschillende geluidssterktes gelijkmatig over het hele hoorbare gebied versterken dan hebben we de ideale versterker. Dat was, en is nog steeds, een uitgangspunt voor ontwerpers. Een aardig voorbeeld daarvan is de "DIN HiFi-norm" uit de jaren zestig. Om het predikaat "HiFi" te mogen gebruiken moest apparatuur aan die norm voldoen en die norm was niets anders dan wat eerder beschreven is, een lineaal-rechte karakteristiek van 20 tot 20.000 Herz en een vervorming beneden 1%.
Begin jaren '70 toonde het perceptieonderzoek aan dat er bij het horen nog een geheel ander effect een rol speelde, namelijk "tijd"! Een deel van ons luisteren berust op tijdwaarneming, dit in tegenstelling tot het waarnemen van frequenties. Die ontdekking leidde tot een eenvoudige "wetenschappelijke" (daar is het weer!) bewijsvoering. Als we een ruissignaal (u weet nog wel dat geluid wat je vroeger kon horen als je verkeerd afstemde op de FM-band) splitsen in twee kanalen en in het ene kanaal een tijdsvertraging aanbrengen van 1 milliseconde , dat signaal toevoeren aan twee oorschelpen van een hoofdtelefoon, dan "horen" we een toon van 1 kiloHertz.
Overigens werd in 1978 voor het eerst gemeten in het binnenoor van een "levend" mens. Daarbij bleek dat bij het waarnemen van 1 toon niet 1 trilhaartje in beweging kwam, maar een groep trilhaartjes.
Nog even terug naar het perceptie onderzoek. Daar toonde men ook aan dat de mens een toon kan herkennen als er twee exacte sinussen (van gelijke lengte) worden weergegeven. Ook dat is een bewijs voor de tijdswaarneming, immers we horen dan twee maal dezelfde tijdspanne.
Nu vraagt u zich af wat dit alles te maken heeft met de weergave van muziek. Helaas moet ik, als elektronicaman, zeggen: alles! In veel elektronica wordt er maar wat aangerommeld met de tijd. Meer specifiek gezegd: veel schakelingen verschuiven de tijd afhankelijk van de signaalgrootte. Dus tijdens de weergave "verschuift" de tijd met regelmaat en zeer kortstondig. Dat brengt ons hoofd als het ware in de war en we moeten (onbewust) corrigeren voor wat er mis gaat. Doordat de hersenen zich nu meer moeten inspannen ontstaat luistermoeheid.
Wat nu te doen als u een echte muziekliefhebber bent? Om te beginnen natuurlijk een goed klinkende versterker gebruiken. Zelfs de goedkoopste luidspreker zal een veel beter geluid geven als de versterker het goed doet. Waar je dan vooral op moet letten is op het vervormingcijfer. Als er bijvoorbeeld staat: THD <1 % dan is het meestal een goed klinkende versterker. Als er staat: THD <0,005 % of nog minder dan is het verdacht, hoe meer nullen achter de komma hoe erger het wordt!
Vanwege de concurrentie trachten fabrikanten een minimaal vervormingcijfer te bereiken. Dat doe je door heel veel transistoren (of buizen) toe te passen, die heel veel te laten versterken en vervolgens veel "tegen te koppelen". En, hoe meer transistoren (en andere componenten) hoe groter de kwaal.
Ook op afstand bedienbare functies zijn verdacht. Vooral als de ingangskeuze door middel van een processor gestuurde chip gebeurt. Het mooiste is het als via de afstandsbediening een motortje wordt aangestuurd, zowel voor de ingangskeuze als voor het volume. Dat motortje kun je horen (met je oor dicht bij de versterker) en ook kun je de knop zien bewegen. Bij Sony heeft men op dit punt goed naar ons geluisterd en bijna alle versterkers worden nu door middel van motortjes bediend. Een versterker zonder afstandsbediening is natuurlijk ook prima!
Een aardig (of beter onaardig) gegeven is ook het effect van zogenaamde "mute" transistoren. Dat zijn transistors die uitsluitend als schakelaar werken en dienen om het audio signaal kort te sluiten. Die functie wordt bijvoorbeeld gebruikt in CD-spelers als we omschakelen van het ene muziekstuk naar het andere. Op dat omschakelmomentje zou er wellicht een "klikje" uit de luidspreker kunnen komen en daar kan u, als moderne consument, niet tegen. Die schakelende transistoren doen meer dan schakelen. Op het moment dat ze niet functioneren, en er dus geluid uit de luidsprekers komt, werken die transistoren als variabele condensatoren. (Van dat effect wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt om uw radio op de zender af te stemmen.) De waarde van de condensator varieert afhankelijk van de amplitude (grootte) van het audio signaal. Gedurende de muziekweergave varieert die condensator en zorgt daarmee voor een varierende tijdsvertraging! Daardoor vervaagt het stereobeeld en alle eerder genoemde effecten nemen in hevigheid toe. Gelukkig kan de goedwillende hobbyist die transistoren met een eenvoudige kniptang die transistoren verwijderen.
In 1988 bezocht ik de ontwerpafdeling van Grundig in Duitsland. Op een gegeven moment kwam er een ontwerper naar me toe en die vertelde apetrots dat in nieuwe Grundig CD-spelers de mute-transistoren weggelaten werden. Toen ik hem vroeg waarom ze dat deden was het antwoord "dat klinkt beter"! Hoe dat kwam wist men niet, er was geen duidelijke verklaring voor. Dat heb ik toen maar uitgelegd aan die heren.
Helaas worden in vrijwel alle CD-spelers, en in sommige versterkers, die verdraaide mute-transistoren toegepast. Een goede raad: Koop een kniptang!

The Sound of Music (6)
door John van der Sluis

Zoals in de vorige afleveringen werd uitgelegd berust ons horen voor een groot deel op
hersenfuncties. Het aardige van muziek is nu dat het "emotie" kan overbrengen. Je wordt er door geraakt en je kunt er blij van worden of bedroefd en andersom kan het natuurlijk ook; als je in een vrolijke stemming bent luister je naar andere muziek dan wanneer je somber bent. De mate waarin je emotie beleeft aan muziek kan worden beperkt doordat ons hoofd, onze hersenen, op het verkeerde been wordt gezet vanwege slechte geluidskwaliteit.
In mijn ervaring beleven mensen muziek intenser naarmate de "afbeelding" beter is. Onder afbeelding (in het Engels "stereo image") verstaan we de mate waarin de musici, schijnbaar, in de breedte, diepte en soms zelfs in de hoogte afgebeeld worden. Vooral bij symfonische muziek kan die afbeelding breder en dieper zijn dan de feitelijke afmetingen van de luisterruimte. Die ruimtelijke afbeelding is minder duidelijk waarneembaar indien er veel elektronica in de versterker zit en naarmate er meer, of minder, mute transistoren zijn toegepast. Maar er is meer ….. Bijvoorbeeld de luidsprekers!

Luidsprekers

Het zal u wel eens verteld zijn dat luidsprekers op "oorhoogte" moeten staan. Dat is ook logisch en begrijpelijk. Maar een goede vuistregel is ook dat luidsprekers ten minste 30 cm vanaf de muren of andere vast objecten geplaatst moeten worden om te voorkomen dat reflecties het ruimtelijke beeld verstoren. Ook dienen luidsprekers zodanig schuin geplaatst te worden dat de "assen" elkaar op 1 meter voor de luisteraar(s) kruisen.
Ook de soort luidspreker speelt natuurlijk een rol, maar dat is veelal een kwestie van persoonlijke smaak en daar zullen we het hier maar niet over hebben. Interessant is wel dat naarmate het frontpaneel smaller is de afbeelding beter wordt.
Een gruwel zijn ook de haakse hoeken die je meestal ziet van het front- naar het zijpaneel. Bij betere (vaak duurdere) luidsprekers is die hoek afgeschuind. Een erg mooi model werd ook gemaakt door de Schotse Tannoy fabriek in hun "Sixes" serie; daarbij werden zes panelen onder varierende hoeken toegepast voor de staande panelen. Onze eigen modellen zijn rond en dat geeft een nog betere "afstraling" dan alle hoekige modellen.

Als je een nieuwe luidspreker gaat kopen is het ook belangrijk dat die luidspreker en je versterker elkaar goed "verstaan"! Om te beginnen heb je te maken met de gevoeligheid (of beter: het rendement). Die gevoeligheid wordt uitgedrukt in deciBellen en dat duidt de geluidsdruk aan als je er 1 Watt in stopt en op 1 meter afstand gaat meten. Voor normaal huiskamergebruik kun je stellen dat je voor een luidspreker met een gevoeligheid van 86 dB een versterker nodig hebt van minstens 50 Watt. Bij 89 dB wordt dat 25 Watt en bij 92 dB kun je volstaan met 10 a 12 Watt. Een nog hoger rendement lijkt aantrekkelijk maar vrijwel alle luidsprekers met een rendement van bijvoorbeeld 95 dB of meer produceren goed hoorbare "kleuring". Dat betekent dat het luidsprekersysteem er geluiden extra bij verzint die niet in de opname zitten. Dat is vooral opvallend bij de weergave van violen en stemmen van alt tot sopraan.
Een ander euvel is de impedantie. Dat is de schijnbare weerstand die de versterker "ziet" als je de luidspreker aansluit. Vrijwel alle fabrikanten specificeren een impedantie die gemeten werd als er een sinus van 1000 Hertz wordt weergegeven. Helaas is dat geen muziek, muziek is veel complexer. Alle luidsprekers vertonen impedantiedippen als je er impulsvormige signalen op los laat. Sommige, met 8 Ohm gespecifeerde luidsprekers, presteren het zelfs om twee dippen te vertonen die beneden 2 Ohm gaan. Dat vinden de meeste versterkers niet leuk. Ze moeten dan de viervoudige stroom gaan leveren en dat kunnen de eindtransistoren (of de eindbuizen) niet aan en de beschermende stroombeveiliging komt dan in werking. En dat betekent veel en hinderlijke vervorming. De conclusie is dan vaak dat de luidspreker niet deugt, maar eigenlijk ligt het aan de versterker. In elk geval moet u er van uitgaan dat alle luidsprekers die met 8 Ohm gespecificeerd worden dippen vertonen van 4 Ohm en idem luidsprekers van 4 Ohm hebben dippen van 2 Ohm. Als de specificatie van de versterker niet aangeeft dat ie dat aankan is het dus oppassen geblazen.
Veel verwarring is er ook over het "vermogen" van de luidspreker. Meestal wordt de vuistregel gehanteerd dat de luidspreker meer vermogen moet kunnen verwerken dan de versterker kan leveren. Dan immers kun je hem nooit overbelasten of "opblazen". Dat is een algemene misvatting! Met een 10 Watt transistor versterker kun je met gemak een 100 Watt luidspreker kapot maken. Als men een transistorversterker luider zet dan ie aankan komen er geen sinussen meer uit maar blokgolven en juist daar gaan luidsprekers aan kapot. Een 100 Watt versterker kun je met een gerust hart op een 20 Watt luidspreker aansluiten. Dat vermogen van 100 Watt wordt in de huiskamer nooit bereikt en alles blijft keurig heel. Elke luidspreker kan kortstondig een veelvoud van zijn gespecificeerde vermogen aan zolang het signaal sinusvormig is.

The Sound of Music (7)
Door John van der Sluis

LUIDSPREKERKABELS

Audio kabels zijn een verhaal apart. Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar de luidspreker kabels. In principe is dat een eenvoudige geleider voor stroom en spanning. En hoe groter het versterkervermogen hoe dikker de kabel. Althans dat zal een "specialist"u vertellen. Helaas is het niet zo eenvoudig.
De meeste, en vooral goedkope, luidsprekerkabels hebben twee gevlochten koperen aders die in een kunststof omhulling zijn geperst. Als zo'n eenvoudige kabel nieuw is (en niet al te dun zoals bij sommige surround sets) dan gaat het allemaal wel goed. Er zijn maar een paar dingen waar je goed op moet letten:

1. Koop altijd een kabel die wat langer is dan wat je echt nodig hebt.
2. Vermijd stekers. Schroef liefst de kabel direct aan de versterker en aan de luidspreker.
3. Probeer een kabel te vinden waarbij de geleider is opgebouwd uit weinig adertjes, dus stug en moeilijk buigbaar.

Dat laatste heeft te maken met het effect van verschillende materiaalsoorten. Elke overgang van het ene materiaal naar het andere kan (en vooral na oxidatie) een halfgeleiderovergang vormen. Je zet dan als het ware een diode tussen de versterker en de luidspreker en dat veroorzaakt duidelijk hoorbare vervorming.
Kabels met koperen, zilveren of verzilverde kernen oxideren. Ook inwendig! Maar vooral aan de uiteinden waar ze aan de (vochtige) lucht blootgesteld zijn. Die oxidatie leidt alweer tot de vorming van halfgeleiderovergangen. Een goede gewoonte is het dan om elk jaar de uiteinden enkele centimeters in te korten. Als uw kabels er al enige jaren tussen zitten zult u verbaasd zijn met hoezeer het geluid verbetert als je de uiteinden afknipt en opnieuw aanstript.
In installaties met een goede versterker is het ook goed te letten op de soort isolatie van de luidsprekerkabel. Het geluidssignaal gaat weliswaar door de geleider, maar de elektrische velden verplaatsen zich door de isolatie, dus buiten de aders. Een heel bedenkelijk materiaal in dat opzicht is PVC. Heel mooi isolatiemateriaal is teflon, maar dat is vreselijk duur. Het allermooist is lucht, maar dat is niet praktisch.
Begin jaren '80 ontstond er een trend om kabels te maken met zoveel mogelijk heel dunne adertjes. Dat heeft dan het voordeel van soepelheid. Maar de voornaamste reden om dat zo te doen was het zogenaamde "skineffect". Dat effect komt er in het kort op neer dat wisselspanningsignalen, zoals muziek, zich voor een belangrijk deel langs de oppervlakte van de geleider verplaatsen en hoe meer adertjes hoe meer oppervlakte. Helaas is de hypothese die hieraan ten grondslag ligt slechts ten dele waar en bij audio is het resultaat juist dat de geluidskwaliteit vermindert door de opgewekte elektrische velden. Het zou wel goed kunnen werken als elk geleidend adertje apart geïsoleerd was. Een heel mooie geleider bestaat uit een enkele massieve ader. Dat is te koop en wordt (bijv. door Hans Groen) aangeboden onder de naam "VD-draad". Dat is dus gewoon installatiedraad zoals dat ook in uw huis zit. Een groot nadeel van die draad is echter het pure PVC wat er omheen zit en het oxideert (binnenin) razendsnel.
Sinds kort importeren wij kabels met "vernikkelde" geleiders. Dat gaat duidelijk langer mee dan de meeste andere luidsprekersnoeren en het klinkt verbazingwekkend goed. (De eenvoudigste soort kost Euro 4,- per meter.) Gewoon snoer met koperen aders oxideert binnenin zodanig dat u het na vijf jaar beter weg kunt gooien. De wat betere (beter geïsoleerd) kabels gaan maximaal 10 jaar mee.
Een goede kabel geeft u meer plezier aan uw muziekbeleving. Het is echt verkeerde zuinigheid als u daarop bespaart.


The Sound of Music (8)
Door John van der Sluis

Interlinks

De vorige keer hebben we het belang van luidsprekerkabels besproken. Maar ook interlinks zijn van belang. Onder de term interlink verstaan we de afgeschermde verbinding tussen apparaten die het signaal op lijnniveau transporteren. Het gaat daarbij om de verbinding tussen bijvoorbeeld de bron en de versterker zoals vanaf de CD-speler, het cassettedeck, de MD-speler, de tuner, de videorecorder etc. Een bijzonder geval is de DVD-speler maar daarover later meer.
Tot begin jaren '70 was in Europa de zogenaamde "DIN" steker in zwang. Die steker bestond uit een metalen bus met binnenin vijf pennetjes. In 1973 werd de markt overspoeld met Japanse apparatuur en daarbij was de DIN-aansluiting vervangen door "cinch" busjes, ook wel RCA aansluiting genoemd. Tegenwoordig is die cinch aansluiting standaard op alle apparatuur. Het gaat daarbij (aan de kabelzijde) om een metalen busje met in het midden één centrale metalen pen. Dat zou een goede verbinding moeten geven hoewel er door de fabrikanten nogal geschipperd wordt met de kwaliteit. Vooral bij de goedkopere apparatuur worden aansluitbusjes gebruikt die mechanisch nogal zwak zijn. Het soms meegeleverde snoertje, meestal stereo met twee tegen elkaar liggende snoertjes, is ook van dubieuze kwaliteit.
Bij het transport van audio signalen van het ene apparaat naar het andere gaat het om signalen met een maximale spanning van omstreeks 500 milliVolt. De zachte signalen van sommige instrumenten, maar ook de akoestische informatie, de galm in de opnameruimte, hebben vaak een niveau rond 50 microVolt. Juist die laatste signalen worden gehinderd door een slechte verbinding en meestal zijn ze daardoor onhoorbaar. Dat kan natuurlijk beter als je een speciale interlink kabel gebruikt die met het oog op die microsignalen ontworpen is. Dergelijke kabels zijn doorgaans voorzien van zeer goed klemmende stekers. Als je zo'n kabeltje gebruikt en je wilt hem losmaken van een standaard apparaat dat dient dat omzichtig te gebeuren. Door de goede klemming kan een zwak busje in het apparaat afbreken als je er te wild mee omgaat.
Goede interlinks, bijvoorbeeld "Simplicity"van Sonic Link zijn te koop vanaf Euro 64,- voor een stereo meter. Een nog wat betere kwaliteit varieert in prijs van Euro 84,- tot Euro 152,-. Eén van de allermooiste kabels die op dit moment gemaakt worden is de "Control" van Sonic Link en die kost Euro 168,- voor een halve meter en Euro 200,- voor een meter.
Het prijsverschil tussen die kabels zit in het materiaal wat er voor gebruikt wordt. De hiergenoemde goedkoopste heeft een kern met vertind koperen adertjes en de isolatie is uit siliconen rubber vervaardigd. Wat duurdere kabels hebben verzilverde aders en zijn voorzien van PTFE (teflon) isolatie. De genoemde "Control" heeft massieve nikkelen aders en een nog wat zwaardere steker. Ieder materiaal heeft zijn eigen klankkleur maar in de meeste installaties geeft de "Simplicity" al een zeer duidelijk waarneembare verbetering.

DVD

De huidige DVD-spelers vormen een hoofdstuk apart. Over het algemeen zijn die spelers voorzien van drie soorten aansluitingen. Eén aansluiting is de "SCART" bus voor de verbinding met het TV-toestel. De meeste meegeleverde SCART kabels geven een belabberde beeld- en geluidskwaliteit. Vanaf Euro 25,- is er een wat betere kabel te koop met vergulde aansluitingen. Een echt mooie SCART kabel, vooral in combinatie met een moderne breedbeeld TV, kost Euro 68,-. Het kwaliteitsverschil zit in het hoogfrequent gedrag van die kabel. Een beeldsignaal heeft een bandbreedte van 5 MHz (vijf miljoen Hertz) en dat stelt bijzondere eisen aan de verbinding met de TV.
Voor het digitale surround signaal (wat gedecodeerd wordt in de receiver) wordt een speciale 75 Ohm aansluiting gebruikt. Na onderzoek voor onze eigen apparatuur bleek dat er heel weinig kabels zijn die écht 75 Ohm zijn. Sonic Link bleek een van de weinige fabrikanten die een kabel leveren die aan die specificatie voldoet, bovendien is het een van de goedkoopste in de markt. Zo'n digitale interlink kost Euro 80,- voor een halve meter en Euro 96,- voor een hele meter. Het moet gezegd, deze digitale interlink maakt een wereld van verschil uit bij surround weergave! De kanaalscheiding is beter en het geluid komt meer tot "leven".
De derde aansluiting op de DVD-speler is een gewone stereo aansluiting. Sommige DVD's hebben geen digitale surround voorziening maar geven het geluid "gewoon" stereo (of Dolby Pro Logic). Voor die aansluitingen kunt u weer de eenvoudige "Simplicity" toepassen.

The Sound of Music (9)
Door John van der Sluis

STEREO

Tegenwoordig hebben we allemaal "stereo" in huis. Het aardige daarvan is dat het geluid van links en van rechts komt en als gevolg daarvan dat je enigszins kunt bepalen op welke plaats een zanger of een instrument zich bevond ten tijde van de opname. Dat "enigszins" vormt nu juist de kneep. Hoewel de opname technici hun best doen om een zogenaamd "stereobeeld" vast te leggen komt daar thuis meestal weinig van terecht. Daar zijn veel, meestal elektronische, oorzaken voor te beginnen in de CD-speler en vervolgens in de versterker. Omdat je daar weinig aan kunt doen zullen we daar hier niet verder op ingaan. De enige mogelijkheid is bij de aanschaf een apparaat te kiezen wat in elk geval het "ruimtelijke" beeld zo weinig mogelijk aantast.
Wat is nu dat "ruimtelijke stereobeeld" vraagt u zich misschien af. In principe betekent het dat alle instrumenten individueel plaatsbaar zijn zowel in de breedte als in de diepte. Je kunt dus als het ware "zien" dat die gitaar vlak voor je neus zit en de drum of de pauken een paar meter daarachter. Bij een goede opname is het beeld ook breder dan de kamer waarin je zit te luisteren. Het geluidsbeeld staat dus "los" van de luidsprekers in de ruimte, het zit niet aan de luidsprekers "vastgekleefd".
Er zijn een paar manieren om tot een goede stereoweergave te komen. Een zaak om goed op te letten zijn de verbindingskabels, maar daar hebben we het al eerder over gehad in deze kolommen. Iets anders is de plaatsing van de luidsprekers. De opnamen die u op CD beluistert zijn zodanig gemaakt dat het geluid optimaal is als de luidsprekers 3 à 4 meter uit elkaar staan. Verder zijn de voorzijden van de luidsprekers iets naar binnen gericht en wel zodanig dat de snijlijnen elkaar kruisen op omstreeks 1 meter vóór de plaats waar u meestal zit.
Belangrijk is ook dat er geen obstakels naast of achter de luidsprekers staan. Plaats ze in elk geval ten minste op 30 centimeter afstand vanaf de muur en vooral niet in de hoeken van uw kamer. Een luidspreker in de hoek geeft "dikke boem" en hoewel dat in het begin spectaculair klinkt is het op den duur erg vermoeiend.

SURROUND

Helaas zijn er een aantal verschillende systemen gebruikt om surround weergave mogelijk te maken. De meest gangbare systemen op dit moment zijn Dolby Digital (ook wel AC-3 genoemd) en DTS. Beide systemen stammen af van het eerdere Dolby Pro Logic. Om het niet al te duur te maken voor de consument werden en worden er luidsprekersets aangeboden waarbij er onderscheid gemaakt wordt tussen de zogenaamde "Front" luidsprekers en de andere luidsprekers. Die front luidsprekers zijn meestal staande modellen die het gehele audiogebied weergeven en ze zijn in principe identiek aan "normale" stereo luidsprekers. De derde luidspreker is de "Center" luidspreker die liggend onder of boven de TV wordt geplaatst. Tenslotte zijn er een paar "Satellieten" die het geluid achter de toehoorder weergeven. De behuizingen van die laatste typen (center en satelliet) zijn zo klein dat goede basweergave niet mogelijk is. En vooral spektakelfilms zijn voorzien van forse basgeluiden. Daarom wordt een extra kanaal gecreëerd (dat staat dus niet op de DVD) waarmee een "actieve" subwoofer aangestuurd wordt. Vandaar ook de term 5.1, dat duidt op 5 kanalen plus een extra baskanaal dat uit de bestaande vijf kanalen in één kanaal samengevoegd wordt. Men gaat er daarbij van uit dat basgeluiden akoestisch niet plaatsbepalend zijn.
De opname mensen gaan echter uit van vijf volkomen identieke kanalen waarvoor in de huiskamer vijf identieke "full range" (dus nogal grote) luidsprekers gebruikt worden.
De plaatsing van de luidsprekers wordt meestal zodanig aanbevolen dat de frontluidsprekers en de center luidspreker op één lijn staan met, net als bij stereo, de front luidsprekers omstreeks 3,5 meter uit elkaar. De satellieten (of achter luidsprekers) worden links en rechts achter de luisteraars geplaatst en wel op ten minste 0,5 (maar liever 1) meter vanaf de dichtstbijzijnde luisterplaats.
Voor een optimale weergave is het absoluut noodzakelijk dat alle luidsprekers in zo'n systeem op gelijke hoogte staan. Zet daarom die satellieten op een stevige standaard en bevestig ze niet aan de muur, of, nog erger, aan het plafond! Een standaard (in het Engels "stand") kan altijd verplaatst worden en dat biedt een duidelijk voordeel.

The Sound of Music (10)
Door John van der Sluis

 

Surround Luidspreker Plaatsing

In de vorige aflevering werd de plaatsing van luidsprekers besproken in een surround opstelling. Er werd daarbij uitgegaan van de bekende Dolby Digital en DTS systemen zoals die doorgaans in de winkel worden aangeboden. Echter dat geldt voor de Nederlandse winkels. In Amerika wordt over het algemeen surround bedreven met vijf grote full range luidsprekers. De meeste Amerikaanse consumenten schakelen daarbij ook over van een normale TV naar een LCD projector die een beeld projecteert op een scherm van 2 x 3 meter of groter. Het zal duidelijk zijn dat daarbij het "bioscoopgevoel" beter tot zijn recht komt. Je kunt dan inderdaad spreken van een "Theater Thuis" situatie. In de meeste Nederlandse huiskamers is zo'n opstelling ondenkbaar.

SA-surround

Inmiddels is er voor geluid ook een nieuwe drager ontwikkeld. De opvolger van de CD wordt nu de Super Audio Compact Disk ofwel SA-CD. Omdat de DVD schijfjes meer opslagruimte bieden worden SA-CD's nu meer en meer opgenomen met een surround registratie. Vrijwel alle nu aangeboden SA-spelers hebben daarom zes uitgangen. Let wel in tegenstelling tot Dolby Digital of DTS wordt SA-surround dus met één kanaal meer opgenomen. Meestal wordt dat zesde kanaal gebruikt voor basweergave, maar ik ken ook een opname waarbij het zesde kanaal voor hoogte informatie wordt gebruikt.
Een belangrijk aspect bij die SA-opnamen is dat de opname technici échte geluidsmensen zijn. Bij SA-opnamen wordt beter gelet op de natuurgetrouwheid van de weergave. Als alles goed is krijg je, als er bijvoorbeeld een klassiek concert wordt weergegeven, het gevoel écht in de concertzaal te zitten. De akoestiek van de zaal komt nu veel beter tot zijn recht dan bij stereo.
Interessant is nu dat de plaatsing van de luidsprekers voor een optimale weergave anders is dan bij films. Het is nu de bedoeling dat alle vijf luidsprekers op gelijke afstand van de luisteraar in een cirkel worden opgesteld. De luisteraar zit dus echt middenin het geluidsbeeld.
Aardig om te zien is dat ook de filmmakers, weliswaar schoorvoetend, deze luidspreker opstelling overnemen. Bij een goede surround opname (en bij alle SA-surround opnamen) is het dan niet meer nodig de tijdsvertraging voor de achterkanalen zelf in te stellen, immers de akoestiek zit al in de opname. Dat scheelt weer een paar knoppen en/of moeilijke instellingen.
Het is natuurlijk leuk als u zelf ook eens die nieuwe luidspreker opstelling uitprobeert. De zithoek moet dan wat naar voren en de frontluidsprekers wat dichter naar de luisterplek. Doe dat eens en u zult merken dat het geluidsbeeld inderdaad "levensechter" wordt!

The Sound of Music (11)
Door John van der Sluis

Het Bibbereffect

Eén van de apparaten in onze eigen Hawk Audio lijn is een CD-speler van Philips die door ons omgebouwd wordt. Die Philips is eigenlijk heel bijzonder omdat daar, ondanks de lage prijs, een heel erg mooi draaiend gedeelte ofwel loopwerk in zit. Vanwege de concurrentiepositie wordt er bij dit model ernstig bezuinigd op de kwaliteit van de onderdelen. Dat nu biedt ons de mogelijkheid om op relatief eenvoudige wijze een grote verbetering te verkrijgen. Naast het vervangen door beter "klinkende" onderdelen brengen we aan de onderkant een natuurstenen plaat aan. Dat maakt de speler meer dan 2x zo zwaar en het zorgt ervoor dat de speler minder "last" heeft van trillingen.
In de eerste zes maanden van dit jaar is een jonge ingenieur, Wim van de Maarl, bij ons afgestudeerd op een onderzoek naar trillingen in audio apparatuur. We hebben dan te maken van twee soorten verstoringen, de trillingen die van buitenaf in het apparaat doordringen en de trillingen die in het apparaat zelf opgewekt worden. Het bleek na uitvoerig literatuur onderzoek dat er binnen het audiovak nauwelijks serieus onderzoek is gedaan naar deze trillingseffecten en het onderdrukken daarvan. Het is wel zo dat zowel Sony als Pioneer in de wat duurdere apparatuur zeer zware chassis toepassen, maar dat heeft geen wetenschappelijke onderbouwing.
Bij het onderzoek naar de diverse materiaalsoorten bleek dat een bepaalde soort PVC belangrijke voordelen biedt ten opzichte van zowel natuursteen, als MDF konstrukties en stijve metalen konstrukties. Dat voordeel kan nog verbeterd worden indien een moderne techniek toegepast wordt die "Constant Layer Damping" genoemd wordt. Het gaat daarbij om een konstruktie uit twee platen waartussen een dempende materie is opgenomen. Die twee platen zullen onder de invloed van trillingen verbuigen (als ze niet te stijf zijn!) en door die buiging verschuift het dempende materiaal en zet daarbij de trillingsenergie om in warmte. Deze vorm van konstrueren wordt al langer toegepast in de lucht- en ruimtevaart industrie, maar dus niet in audio.

We hebben nu de afgebeelde plaat gekonstrueerd met daaronder bijzondere isolerende verende voetjes.
"The proof of the pudding is in the eating" en dat deden we door een aantal proefkonstrukties te vergelijken in een blinde proeftest. Het bleek nu zonneklaar voor alle luisteraars dat deze plaat met kop en schouders boven de alternatieven uitstak. Het geluid van de CD wordt rustiger en ook beter gedefinieerd. Het resultaat is het beste te omschrijven als een meer "muzikale" weergave. Dat wordt natuurlijk het beste duidelijk als je akoestische muziek beluistert zoals klassieke concerten, jazz of opera. Maar ook goede opnamen van popmuziek (denk aan Ierse bands zoals Clannad) klinken beter!
Trillingen spelen een rol in allerlei elektronische apparaten. Dat geldt het meest voor apparatuur met bewegende delen zoals CD-spelers, DVD-spelers, SA-CD-spelers, video- en cassetterecorders, maar ook voor versterkers en tuners.
We hebben deze trillingsdempende platen daarom ook uitgeprobeerd onder diverse DVD-spelers en ja hoor, het beeld wordt ook beter, vooral rustiger en, alweer, beter gedefinieerd. Eigenlijk is dat ook logisch als je je realiseert dat juist bij DVD de putjes in het schijfje veel kleiner zijn en er bij het minste of geringste uitleesfouten optreden. Die fouten worden min-of-meer gecorrigeerd door de automatische foutcorrectie zodat de kijker daar weinig van merkt. Maar die correctie treedt altijd op NADAT de fout is opgetreden en zoals bij alles is ook hier voorkomen beter dan genezen.
De dempingsplaat kost Euro 92,50 en iedereen kan het zeer eenvoudig onder zijn bestaande apparatuur plaatsen. Het wordt nog beter als u ons ook het apparaat zélf laat modificeren. We zorgen er dan voor dat ook de kap nauwelijks meer trilt en dat de bodem beter aansluit op de dempingsplaat. De meerprijs voor die behandeling is Euro 25,-. Ook u kunt nu nog meer genieten van uw films en muziek met deze eenvoudige ingreep!
N.B. Onze afstudeerder kreeg de waardering "10" voor dit project en hij werd voorgedragen voor een prijs als beste werktuigbouwer in Nederland die in 2002 afstudeerde.